afpassen
has one meaning, 2 synonym groups and 3 synonyms
Dutch
German
French
Italian
Spanish
Portuguese
Swedish
Verb forms of afpassen
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afpassend | und | afgepast |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | pas af | past af | past af | passen af | passen af | passen af |
| Imperfect | paste af | paste af | paste af | pasten af | pasten af | pasten af |
| Toekomende tijd I | zal afpassen | zult afpassen | zal afpassen | zullen afpassen | zullen afpassen | zullen afpassen |
| Conditionalis I | zou afpassen | zou afpassen | zou afpassen | zouden afpassen | zouden afpassen | zouden afpassen |
| Perfectum | heb afgepast | hebt afgepast | heeft afgepast | hebben afgepast | hebben afgepast | hebben afgepast |
| Voltooid verleden tijd | had afgepast | had afgepast | had afgepast | hadden afgepast | hadden afgepast | hadden afgepast |
| Toekomende tijd II | zal afgepast hebben | zult afgepast hebben | zal afgepast hebben | zullen afgepast hebben | zullen afgepast hebben | zullen afgepast hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgepast | zou hebben afgepast | zou hebben afgepast | zouden hebben afgepast | zouden hebben afgepast | zouden hebben afgepast |
| Imperatief | - | pas af | - | - | past af | - |
synonyms for afpassen
- afoogsten
- aforisme
- afpakken
- afpalen
- afpanden
afpassen
- afpeddelen
- afpeigeren
- afpeilen
- afpeinzen
- afpelen
- afpellen
- afpennen
- afperken
- afpersen
- afperser
- afpersing
- afpersster
- afpeuteren
- afpeuzelen
- afpijnen
- afpijnigen
- afpikken
- afpingelen
- afpitsen
- afplaggen
- afplakband
- afplakken
- afplatten
- afpleiten
- afplekken

