search term:

afpakken

  has one meaning, 2 synonym groups and 2 synonyms

Dutch Dutch

afpakken (voorwerpen)

English English

deprive of (voorwerpen) rob of (voorwerpen) take away (voorwerpen)

German German

abnehmen (voorwerpen) wegnehmen (voorwerpen)

French French

descendre (voorwerpen) décrocher (voorwerpen) dépendre (voorwerpen) déposséder de (voorwerpen) enlever (voorwerpen) prendre (voorwerpen)

Italian Italian

portare via (voorwerpen) prendere (voorwerpen) privare di (voorwerpen) staccare (voorwerpen) tirare giù (voorwerpen)

Spanish Spanish

coger (voorwerpen) descolgar (voorwerpen) despojar de (voorwerpen) quitar (voorwerpen)

Portuguese Portuguese

desapossar (voorwerpen) tirar (voorwerpen) tomar (voorwerpen)

Swedish Swedish

ta bort (voorwerpen) ta ifrån (voorwerpen) ta ned (voorwerpen)


Verb forms of afpakken

- af
Tegenwoordig en verleden deelwoord afpakkend und afgepakt

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens pak af pakt af pakt af pakken af pakken af pakken af
Imperfect pakte af pakte af pakte af pakten af pakten af pakten af
Toekomende tijd I zal afpakken zult afpakken zal afpakken zullen afpakken zullen afpakken zullen afpakken
Conditionalis I zou afpakken zou afpakken zou afpakken zouden afpakken zouden afpakken zouden afpakken
Perfectum heb afgepakt hebt afgepakt heeft afgepakt hebben afgepakt hebben afgepakt hebben afgepakt
Voltooid verleden tijd had afgepakt had afgepakt had afgepakt hadden afgepakt hadden afgepakt hadden afgepakt
Toekomende tijd II zal afgepakt hebben zult afgepakt hebben zal afgepakt hebben zullen afgepakt hebben zullen afgepakt hebben zullen afgepakt hebben
Conditionalis II zou hebben afgepakt zou hebben afgepakt zou hebben afgepakt zouden hebben afgepakt zouden hebben afgepakt zouden hebben afgepakt
Imperatief - pak af - - pakt af -
translation - afpakken translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000