Dutch
Portuguese
Verb forms of afkruimelen
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afkruimelend | und | afgekruimeld |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | kruimel af | kruimelt af | kruimelt af | kruimelen af | kruimelen af | kruimelen af |
| Imperfect | kruimelde af | kruimelde af | kruimelde af | kruimelden af | kruimelden af | kruimelden af |
| Toekomende tijd I | zal afkruimelen | zult afkruimelen | zal afkruimelen | zullen afkruimelen | zullen afkruimelen | zullen afkruimelen |
| Conditionalis I | zou afkruimelen | zou afkruimelen | zou afkruimelen | zouden afkruimelen | zouden afkruimelen | zouden afkruimelen |
| Perfectum | heb afgekruimeld | hebt afgekruimeld | heeft afgekruimeld | hebben afgekruimeld | hebben afgekruimeld | hebben afgekruimeld |
| Voltooid verleden tijd | had afgekruimeld | had afgekruimeld | had afgekruimeld | hadden afgekruimeld | hadden afgekruimeld | hadden afgekruimeld |
| Toekomende tijd II | zal afgekruimeld hebben | zult afgekruimeld hebben | zal afgekruimeld hebben | zullen afgekruimeld hebben | zullen afgekruimeld hebben | zullen afgekruimeld hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgekruimeld | zou hebben afgekruimeld | zou hebben afgekruimeld | zouden hebben afgekruimeld | zouden hebben afgekruimeld | zouden hebben afgekruimeld |
| Imperatief | - | kruimel af | - | - | kruimelt af | - |
- afkraken
- afkrassen
- afkrijgen
- afkronkelen
- afkruien
afkruimelen
- afkruipen
- afkuieren
- afkuisen
- afkukelen
- afkunnen
- afkussen
- aflachen
- afladen
- aflakken
- aflakken met japanlak
- aflangen
- aflappen
- aflaten
- aflaveren
- aflebberen
- afleggen
- aflegger
- afleiden
- afleidend
- afleiding
- afleidings-
- afleidingsmaneuver
- afleidingsmanoeuvre
- afleken
- aflekken

