afkrabben
has one meaning
Dutch
English
Italian
Spanish
Swedish
Verb forms of afkrabben
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afkrabbend | und | afgekrabd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | krab af | krabt af | krabt af | krabben af | krabben af | krabben af |
| Imperfect | krabde af | krabde af | krabde af | krabden af | krabden af | krabden af |
| Toekomende tijd I | zal afkrabben | zult afkrabben | zal afkrabben | zullen afkrabben | zullen afkrabben | zullen afkrabben |
| Conditionalis I | zou afkrabben | zou afkrabben | zou afkrabben | zouden afkrabben | zouden afkrabben | zouden afkrabben |
| Perfectum | heb afgekrabd | hebt afgekrabd | heeft afgekrabd | hebben afgekrabd | hebben afgekrabd | hebben afgekrabd |
| Voltooid verleden tijd | had afgekrabd | had afgekrabd | had afgekrabd | hadden afgekrabd | hadden afgekrabd | hadden afgekrabd |
| Toekomende tijd II | zal afgekrabd hebben | zult afgekrabd hebben | zal afgekrabd hebben | zullen afgekrabd hebben | zullen afgekrabd hebben | zullen afgekrabd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgekrabd | zou hebben afgekrabd | zou hebben afgekrabd | zouden hebben afgekrabd | zouden hebben afgekrabd | zouden hebben afgekrabd |
| Imperatief | - | krab af | - | - | krabt af | - |
- afkoppelen
- afkorsten
- afkorten
- afkorting
- afkrabbelen
afkrabben
- afkraken
- afkrassen
- afkrijgen
- afkronkelen
- afkruien
- afkruimelen
- afkruipen
- afkuieren
- afkuisen
- afkukelen
- afkunnen
- afkussen
- aflachen
- afladen
- aflakken
- aflakken met japanlak
- aflangen
- aflappen
- aflaten
- aflaveren
- aflebberen
- afleggen
- aflegger
- afleiden
- afleidend

