Dutch
Portuguese
Verb forms of afkonkluderen
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afkonkluderend | und | afgekonkludeerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | konkludeer af | konkludeert af | konkludeert af | konkluderen af | konkluderen af | konkluderen af |
| Imperfect | konkludeerde af | konkludeerde af | konkludeerde af | konkludeerden af | konkludeerden af | konkludeerden af |
| Toekomende tijd I | zal afkonkluderen | zult afkonkluderen | zal afkonkluderen | zullen afkonkluderen | zullen afkonkluderen | zullen afkonkluderen |
| Conditionalis I | zou afkonkluderen | zou afkonkluderen | zou afkonkluderen | zouden afkonkluderen | zouden afkonkluderen | zouden afkonkluderen |
| Perfectum | heb afgekonkludeerd | hebt afgekonkludeerd | heeft afgekonkludeerd | hebben afgekonkludeerd | hebben afgekonkludeerd | hebben afgekonkludeerd |
| Voltooid verleden tijd | had afgekonkludeerd | had afgekonkludeerd | had afgekonkludeerd | hadden afgekonkludeerd | hadden afgekonkludeerd | hadden afgekonkludeerd |
| Toekomende tijd II | zal afgekonkludeerd hebben | zult afgekonkludeerd hebben | zal afgekonkludeerd hebben | zullen afgekonkludeerd hebben | zullen afgekonkludeerd hebben | zullen afgekonkludeerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgekonkludeerd | zou hebben afgekonkludeerd | zou hebben afgekonkludeerd | zouden hebben afgekonkludeerd | zouden hebben afgekonkludeerd | zouden hebben afgekonkludeerd |
| Imperatief | - | konkludeer af | - | - | konkludeert af | - |
- afkomstig uit
- afkomstig van
- afkomstig zijn van
- afkondigen
- afkondiging
afkonkluderen
- afkooksel
- afkopen
- afkoppelen
- afkorsten
- afkorten
- afkorting
- afkrabbelen
- afkrabben
- afkraken
- afkrassen
- afkrijgen
- afkronkelen
- afkruien
- afkruimelen
- afkruipen
- afkuieren
- afkuisen
- afkukelen
- afkunnen
- afkussen
- aflachen
- afladen
- aflakken
- aflakken met japanlak
- aflangen

