afknotten
has one meaning
Dutch
English
German
French
Portuguese
Swedish
Verb forms of afknotten
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afknottend | und | afgeknot |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | knot af | knot af | knot af | knotten af | knotten af | knotten af |
| Imperfect | knotte af | knotte af | knotte af | knotten af | knotten af | knotten af |
| Toekomende tijd I | zal afknotten | zult afknotten | zal afknotten | zullen afknotten | zullen afknotten | zullen afknotten |
| Conditionalis I | zou afknotten | zou afknotten | zou afknotten | zouden afknotten | zouden afknotten | zouden afknotten |
| Perfectum | heb afgeknot | hebt afgeknot | heeft afgeknot | hebben afgeknot | hebben afgeknot | hebben afgeknot |
| Voltooid verleden tijd | had afgeknot | had afgeknot | had afgeknot | hadden afgeknot | hadden afgeknot | hadden afgeknot |
| Toekomende tijd II | zal afgeknot hebben | zult afgeknot hebben | zal afgeknot hebben | zullen afgeknot hebben | zullen afgeknot hebben | zullen afgeknot hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgeknot | zou hebben afgeknot | zou hebben afgeknot | zouden hebben afgeknot | zouden hebben afgeknot | zouden hebben afgeknot |
| Imperatief | - | knot af | - | - | knot af | - |
- afknibbelen
- afknijpen
- afknippen
- afknoeien
- afknopen
afknotten
- afknuppelen
- afknutselen
- afkoelen
- afkoelend
- afkoken
- afkolven
- afkomen
- afkomen op
- afkomen van
- afkommanderen
- afkomst
- afkomstig uit
- afkomstig van
- afkomstig zijn van
- afkondigen
- afkondiging
- afkonkluderen
- afkooksel
- afkopen
- afkoppelen
- afkorsten
- afkorten
- afkorting
- afkrabbelen
- afkrabben

