Dutch
Portuguese
Verb forms of afklimmen
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afklimmend | und | afgeklommen |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | klim af | klimt af | klimt af | klimmen af | klimmen af | klimmen af |
| Imperfect | klom af | klom af | klom af | klommen af | klommen af | klommen af |
| Toekomende tijd I | zal afklimmen | zult afklimmen | zal afklimmen | zullen afklimmen | zullen afklimmen | zullen afklimmen |
| Conditionalis I | zou afklimmen | zou afklimmen | zou afklimmen | zouden afklimmen | zouden afklimmen | zouden afklimmen |
| Perfectum | ben afgeklommen | bent afgeklommen | is afgeklommen | zijn afgeklommen | zijn afgeklommen | zijn afgeklommen |
| Voltooid verleden tijd | was afgeklommen | was afgeklommen | was afgeklommen | waren afgeklommen | waren afgeklommen | waren afgeklommen |
| Toekomende tijd II | zal afgeklommen zijn | zult afgeklommen zijn | zal afgeklommen zijn | zullen afgeklommen zijn | zullen afgeklommen zijn | zullen afgeklommen zijn |
| Conditionalis II | zou zijn afgeklommen | zou zijn afgeklommen | zou zijn afgeklommen | zouden zijn afgeklommen | zouden zijn afgeklommen | zouden zijn afgeklommen |
| Imperatief | - | klim af | - | - | klimt af | - |
- afklappen
- afklaren
- afkleden
- afklemmen
- afkletsen
afklimmen
- afklinken
- afklokken
- afkloppen
- afkluiven
- afknabbelen
- afknagen
- afknakken
- afknappen
- afknauwen
- afknellen
- afknevelen
- afknibbelen
- afknijpen
- afknippen
- afknoeien
- afknopen
- afknotten
- afknuppelen
- afknutselen
- afkoelen
- afkoelend
- afkoken
- afkolven
- afkomen
- afkomen op

