Dutch
Portuguese
Verb forms of afgreppelen
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afgreppelend | und | afgegreppeld |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | greppel af | greppelt af | greppelt af | greppelen af | greppelen af | greppelen af |
| Imperfect | greppelde af | greppelde af | greppelde af | greppelden af | greppelden af | greppelden af |
| Toekomende tijd I | zal afgreppelen | zult afgreppelen | zal afgreppelen | zullen afgreppelen | zullen afgreppelen | zullen afgreppelen |
| Conditionalis I | zou afgreppelen | zou afgreppelen | zou afgreppelen | zouden afgreppelen | zouden afgreppelen | zouden afgreppelen |
| Perfectum | heb afgegreppeld | hebt afgegreppeld | heeft afgegreppeld | hebben afgegreppeld | hebben afgegreppeld | hebben afgegreppeld |
| Voltooid verleden tijd | had afgegreppeld | had afgegreppeld | had afgegreppeld | hadden afgegreppeld | hadden afgegreppeld | hadden afgegreppeld |
| Toekomende tijd II | zal afgegreppeld hebben | zult afgegreppeld hebben | zal afgegreppeld hebben | zullen afgegreppeld hebben | zullen afgegreppeld hebben | zullen afgegreppeld hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgegreppeld | zou hebben afgegreppeld | zou hebben afgegreppeld | zouden hebben afgegreppeld | zouden hebben afgegreppeld | zouden hebben afgegreppeld |
| Imperatief | - | greppel af | - | - | greppelt af | - |
- afgrauwen
- afgraven
- afgrazen
- afgrendelen
- afgrenzen
afgreppelen
- afgrijselijk
- afgrijselijkheid
- afgrijzen
- afgrissen
- afgrond
- afgronden
- afgunst
- afgunstig
- afgunstig zijn
- afgutsen
- afhaalmaaltijd
- afhaalrestaurant
- afhaken
- afhakken
- afhalen
- afhameren
- afhandelen
- afhandig maken
- afhangen
- afhangen van
- afhangend
- afhankelijk
- afhankelijk van
- afhankelijk zijn van
- afhankelijke

