Dutch
Portuguese
Verb forms of afgrenzen
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afgrenzend | und | afgegrensd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | grens af | grenst af | grenst af | grenzen af | grenzen af | grenzen af |
| Imperfect | grensde af | grensde af | grensde af | grensden af | grensden af | grensden af |
| Toekomende tijd I | zal afgrenzen | zult afgrenzen | zal afgrenzen | zullen afgrenzen | zullen afgrenzen | zullen afgrenzen |
| Conditionalis I | zou afgrenzen | zou afgrenzen | zou afgrenzen | zouden afgrenzen | zouden afgrenzen | zouden afgrenzen |
| Perfectum | heb afgegrensd | hebt afgegrensd | heeft afgegrensd | hebben afgegrensd | hebben afgegrensd | hebben afgegrensd |
| Voltooid verleden tijd | had afgegrensd | had afgegrensd | had afgegrensd | hadden afgegrensd | hadden afgegrensd | hadden afgegrensd |
| Toekomende tijd II | zal afgegrensd hebben | zult afgegrensd hebben | zal afgegrensd hebben | zullen afgegrensd hebben | zullen afgegrensd hebben | zullen afgegrensd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgegrensd | zou hebben afgegrensd | zou hebben afgegrensd | zouden hebben afgegrensd | zouden hebben afgegrensd | zouden hebben afgegrensd |
| Imperatief | - | grens af | - | - | grenst af | - |
- afgorden
- afgrauwen
- afgraven
- afgrazen
- afgrendelen
afgrenzen
- afgreppelen
- afgrijselijk
- afgrijselijkheid
- afgrijzen
- afgrissen
- afgrond
- afgronden
- afgunst
- afgunstig
- afgunstig zijn
- afgutsen
- afhaalmaaltijd
- afhaalrestaurant
- afhaken
- afhakken
- afhalen
- afhameren
- afhandelen
- afhandig maken
- afhangen
- afhangen van
- afhangend
- afhankelijk
- afhankelijk van
- afhankelijk zijn van

