Dutch
Portuguese
Verb forms of afgorden
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afgordend | und | afgegord |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | gord af | gordt af | gordt af | gorden af | gorden af | gorden af |
| Imperfect | gordde af | gordde af | gordde af | gordden af | gordden af | gordden af |
| Toekomende tijd I | zal afgorden | zult afgorden | zal afgorden | zullen afgorden | zullen afgorden | zullen afgorden |
| Conditionalis I | zou afgorden | zou afgorden | zou afgorden | zouden afgorden | zouden afgorden | zouden afgorden |
| Perfectum | heb afgegord | hebt afgegord | heeft afgegord | hebben afgegord | hebben afgegord | hebben afgegord |
| Voltooid verleden tijd | had afgegord | had afgegord | had afgegord | hadden afgegord | hadden afgegord | hadden afgegord |
| Toekomende tijd II | zal afgegord hebben | zult afgegord hebben | zal afgegord hebben | zullen afgegord hebben | zullen afgegord hebben | zullen afgegord hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgegord | zou hebben afgegord | zou hebben afgegord | zouden hebben afgegord | zouden hebben afgegord | zouden hebben afgegord |
| Imperatief | - | gord af | - | - | gordt af | - |
- afgod
- afgoderij
- afgodisch
- afgolven
- afgooien
afgorden
- afgrauwen
- afgraven
- afgrazen
- afgrendelen
- afgrenzen
- afgreppelen
- afgrijselijk
- afgrijselijkheid
- afgrijzen
- afgrissen
- afgrond
- afgronden
- afgunst
- afgunstig
- afgunstig zijn
- afgutsen
- afhaalmaaltijd
- afhaalrestaurant
- afhaken
- afhakken
- afhalen
- afhameren
- afhandelen
- afhandig maken
- afhangen

