affiniteit
has one meaning
Dutch
French
Italian
Spanish
Portuguese
Swedish
- afficheren
- affidavit
- affietsen
- affiliëren
- affineren
affiniteit
- affirmatie
- affirmatief
- affirmeren
- affix
- affluiten
- affronteren
- affutselen
- afgaan
- afgebeuld
- afgebroken
- afgebrokkeld
- afgedankt worden
- afgedragen
- afgedwongen
- afgekant
- afgelasten
- afgelasting
- afgelegen
- afgelegen plaats
- afgeleid van
- afgeleide functie
- afgemaakt met
- afgemat
- afgematheid
- afgemeten

