Dutch
Portuguese
Verb forms of affakkelen
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | affakkelend | und | afgefakkeld |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | fakkel af | fakkelt af | fakkelt af | fakkelen af | fakkelen af | fakkelen af |
| Imperfect | fakkelde af | fakkelde af | fakkelde af | fakkelden af | fakkelden af | fakkelden af |
| Toekomende tijd I | zal affakkelen | zult affakkelen | zal affakkelen | zullen affakkelen | zullen affakkelen | zullen affakkelen |
| Conditionalis I | zou affakkelen | zou affakkelen | zou affakkelen | zouden affakkelen | zouden affakkelen | zouden affakkelen |
| Perfectum | heb afgefakkeld | hebt afgefakkeld | heeft afgefakkeld | hebben afgefakkeld | hebben afgefakkeld | hebben afgefakkeld |
| Voltooid verleden tijd | had afgefakkeld | had afgefakkeld | had afgefakkeld | hadden afgefakkeld | hadden afgefakkeld | hadden afgefakkeld |
| Toekomende tijd II | zal afgefakkeld hebben | zult afgefakkeld hebben | zal afgefakkeld hebben | zullen afgefakkeld hebben | zullen afgefakkeld hebben | zullen afgefakkeld hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgefakkeld | zou hebben afgefakkeld | zou hebben afgefakkeld | zouden hebben afgefakkeld | zouden hebben afgefakkeld | zouden hebben afgefakkeld |
| Imperatief | - | fakkel af | - | - | fakkelt af | - |
- afdwingen
- afdwingen van
- afeisen
- afeten
- affaire
affakkelen
- affecteren
- affectie
- affectiewaarde
- affekteren
- affiche
- afficheren
- affidavit
- affietsen
- affiliëren
- affineren
- affiniteit
- affirmatie
- affirmatief
- affirmeren
- affix
- affluiten
- affronteren
- affutselen
- afgaan
- afgebeuld
- afgebroken
- afgebrokkeld
- afgedankt worden
- afgedragen
- afgedwongen

