Dutch
Portuguese
Verb forms of afcommanderen
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afcommanderend | und | afgecommandeerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | commandeer af | commandeert af | commandeert af | commanderen af | commanderen af | commanderen af |
| Imperfect | commandeerde af | commandeerde af | commandeerde af | commandeerden af | commandeerden af | commandeerden af |
| Toekomende tijd I | zal afcommanderen | zult afcommanderen | zal afcommanderen | zullen afcommanderen | zullen afcommanderen | zullen afcommanderen |
| Conditionalis I | zou afcommanderen | zou afcommanderen | zou afcommanderen | zouden afcommanderen | zouden afcommanderen | zouden afcommanderen |
| Perfectum | heb afgecommandeerd | hebt afgecommandeerd | heeft afgecommandeerd | hebben afgecommandeerd | hebben afgecommandeerd | hebben afgecommandeerd |
| Voltooid verleden tijd | had afgecommandeerd | had afgecommandeerd | had afgecommandeerd | hadden afgecommandeerd | hadden afgecommandeerd | hadden afgecommandeerd |
| Toekomende tijd II | zal afgecommandeerd hebben | zult afgecommandeerd hebben | zal afgecommandeerd hebben | zullen afgecommandeerd hebben | zullen afgecommandeerd hebben | zullen afgecommandeerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgecommandeerd | zou hebben afgecommandeerd | zou hebben afgecommandeerd | zouden hebben afgecommandeerd | zouden hebben afgecommandeerd | zouden hebben afgecommandeerd |
| Imperatief | - | commandeer af | - | - | commandeert af | - |
- afbroddelen
- afbrokkelen
- afbuigen
- afbuitelen
- afchecken
afcommanderen
- afconcluderen
- afdak
- afdalen
- afdaling
- afdammen
- afdanken
- afdansen
- afdeinzen
- afdekken
- afdelen
- afdeling
- afdeling van het Hooggerechtshof
- afdelings-
- afdelingschef
- afdelven
- afdichten
- afdienen
- afdieven
- afdijken
- afdingen
- afdoen
- afdoend
- afdokken
- afdolen
- afdonderen

