Dutch
Portuguese
Verb forms of afbinden
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afbindend | und | afgebonden |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | bind af | bindt af | bindt af | binden af | binden af | binden af |
| Imperfect | bond af | bond af | bond af | bonden af | bonden af | bonden af |
| Toekomende tijd I | zal afbinden | zult afbinden | zal afbinden | zullen afbinden | zullen afbinden | zullen afbinden |
| Conditionalis I | zou afbinden | zou afbinden | zou afbinden | zouden afbinden | zouden afbinden | zouden afbinden |
| Perfectum | heb afgebonden | hebt afgebonden | heeft afgebonden | hebben afgebonden | hebben afgebonden | hebben afgebonden |
| Voltooid verleden tijd | had afgebonden | had afgebonden | had afgebonden | hadden afgebonden | hadden afgebonden | hadden afgebonden |
| Toekomende tijd II | zal afgebonden hebben | zult afgebonden hebben | zal afgebonden hebben | zullen afgebonden hebben | zullen afgebonden hebben | zullen afgebonden hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgebonden | zou hebben afgebonden | zou hebben afgebonden | zouden hebben afgebonden | zouden hebben afgebonden | zouden hebben afgebonden |
| Imperatief | - | bind af | - | - | bindt af | - |
- afbietsen
- afbiezen
- afbijten
- afbikken
- afbiljoenen
afbinden
- afbladderen
- afbladen
- afbladeren
- afblaffen
- afblaren
- afblazen
- afblijven
- afbliksemen
- afblokken
- afblotten
- afbluffen
- afblussen
- afboeken
- afboenen
- afboeten
- afbollen
- afbomen
- afbonken
- afbonzen
- afborstelen
- afbottelen
- afbouwen
- afbraak
- afbramen
- afbranden

