Dutch
Portuguese
Verb forms of afbikken
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afbikkend | und | afgebikt |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | bik af | bikt af | bikt af | bikken af | bikken af | bikken af |
| Imperfect | bikte af | bikte af | bikte af | bikten af | bikten af | bikten af |
| Toekomende tijd I | zal afbikken | zult afbikken | zal afbikken | zullen afbikken | zullen afbikken | zullen afbikken |
| Conditionalis I | zou afbikken | zou afbikken | zou afbikken | zouden afbikken | zouden afbikken | zouden afbikken |
| Perfectum | heb afgebikt | hebt afgebikt | heeft afgebikt | hebben afgebikt | hebben afgebikt | hebben afgebikt |
| Voltooid verleden tijd | had afgebikt | had afgebikt | had afgebikt | hadden afgebikt | hadden afgebikt | hadden afgebikt |
| Toekomende tijd II | zal afgebikt hebben | zult afgebikt hebben | zal afgebikt hebben | zullen afgebikt hebben | zullen afgebikt hebben | zullen afgebikt hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgebikt | zou hebben afgebikt | zou hebben afgebikt | zouden hebben afgebikt | zouden hebben afgebikt | zouden hebben afgebikt |
| Imperatief | - | bik af | - | - | bikt af | - |

