Dutch
Portuguese
Verb forms of afbakken
| irr. | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afbakkend | und | afgebakken |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | bak af | bakt af | bakt af | bakken af | bakken af | bakken af |
| Imperfect | bakte af | bakte af | bakte af | bakten af | bakten af | bakten af |
| Toekomende tijd I | zal afbakken | zult afbakken | zal afbakken | zullen afbakken | zullen afbakken | zullen afbakken |
| Conditionalis I | zou afbakken | zou afbakken | zou afbakken | zouden afbakken | zouden afbakken | zouden afbakken |
| Perfectum | heb afgebakken | hebt afgebakken | heeft afgebakken | hebben afgebakken | hebben afgebakken | hebben afgebakken |
| Voltooid verleden tijd | had afgebakken | had afgebakken | had afgebakken | hadden afgebakken | hadden afgebakken | hadden afgebakken |
| Toekomende tijd II | zal afgebakken hebben | zult afgebakken hebben | zal afgebakken hebben | zullen afgebakken hebben | zullen afgebakken hebben | zullen afgebakken hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgebakken | zou hebben afgebakken | zou hebben afgebakken | zouden hebben afgebakken | zouden hebben afgebakken | zouden hebben afgebakken |
| Imperatief | - | bak af | - | - | bakt af | - |
- af te keuren
- afasie
- afbaarden
- afbakenen
- afbakening
afbakken
- afbarsten
- afbedelen
- afbeelden
- afbeelding
- afbeitelen
- afbekken
- afbellen
- afbenen
- afbestellen
- afbestelling
- afbetalen
- afbetaling
- afbetten
- afbeulen
- afbidden
- afbieden
- afbietsen
- afbiezen
- afbijten
- afbikken
- afbiljoenen
- afbinden
- afbladderen
- afbladen
- afbladeren

