Dutch
Portuguese
Verb forms of absolveren
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | absolverend | und | geabsolveerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | absolveer | absolveert | absolveert | absolveren | absolveren | absolveren |
| Imperfect | absolveerde | absolveerde | absolveerde | absolveerden | absolveerden | absolveerden |
| Toekomende tijd I | zal absolveren | zult absolveren | zal absolveren | zullen absolveren | zullen absolveren | zullen absolveren |
| Conditionalis I | zou absolveren | zou absolveren | zou absolveren | zouden absolveren | zouden absolveren | zouden absolveren |
| Perfectum | heb geabsolveerd | hebt geabsolveerd | heeft geabsolveerd | hebben geabsolveerd | hebben geabsolveerd | hebben geabsolveerd |
| Voltooid verleden tijd | had geabsolveerd | had geabsolveerd | had geabsolveerd | hadden geabsolveerd | hadden geabsolveerd | hadden geabsolveerd |
| Toekomende tijd II | zal geabsolveerd hebben | zult geabsolveerd hebben | zal geabsolveerd hebben | zullen geabsolveerd hebben | zullen geabsolveerd hebben | zullen geabsolveerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben geabsolveerd | zou hebben geabsolveerd | zou hebben geabsolveerd | zouden hebben geabsolveerd | zouden hebben geabsolveerd | zouden hebben geabsolveerd |
| Imperatief | - | absolveer | - | - | absolveert | - |
- absolute
- absolutie
- absolutisme
- absoluut
- absoluut niet
absolveren
- absorbeerbaar
- absorberen
- absorberend
- absorptie
- absorptievermogen
- abstinent
- abstinentie
- abstract
- abstract begrip
- abstractie
- abstraheren
- abstruus
- absurd
- absurde procedure
- absurditeit
- abt
- abuis
- abuis hebben
- abuis zijn
- abuseren
- abusievelijk
- abyssaal
- acacia
- academica
- academicus

