Dutch Dutch

no translation found for absolveren


Verb forms of absolveren

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord absolverend und geabsolveerd

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens absolveer absolveert absolveert absolveren absolveren absolveren
Imperfect absolveerde absolveerde absolveerde absolveerden absolveerden absolveerden
Toekomende tijd I zal absolveren zult absolveren zal absolveren zullen absolveren zullen absolveren zullen absolveren
Conditionalis I zou absolveren zou absolveren zou absolveren zouden absolveren zouden absolveren zouden absolveren
Perfectum heb geabsolveerd hebt geabsolveerd heeft geabsolveerd hebben geabsolveerd hebben geabsolveerd hebben geabsolveerd
Voltooid verleden tijd had geabsolveerd had geabsolveerd had geabsolveerd hadden geabsolveerd hadden geabsolveerd hadden geabsolveerd
Toekomende tijd II zal geabsolveerd hebben zult geabsolveerd hebben zal geabsolveerd hebben zullen geabsolveerd hebben zullen geabsolveerd hebben zullen geabsolveerd hebben
Conditionalis II zou hebben geabsolveerd zou hebben geabsolveerd zou hebben geabsolveerd zouden hebben geabsolveerd zouden hebben geabsolveerd zouden hebben geabsolveerd
Imperatief - absolveer - - absolveert -
translation - absolveren translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000