| Usage | - | Separable | aan |
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | aanzettend | und | aangezet |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | zet aan | zet aan | zet aan | zetten aan | zetten aan | zetten aan |
| Imperfect | zette aan | zette aan | zette aan | zetten aan | zetten aan | zetten aan |
| Toekomende tijd I | zal aanzetten | zult aanzetten | zal aanzetten | zullen aanzetten | zullen aanzetten | zullen aanzetten |
| Conditionalis I | zou aanzetten | zou aanzetten | zou aanzetten | zouden aanzetten | zouden aanzetten | zouden aanzetten |
| Perfectum | heb aangezet | hebt aangezet | heeft aangezet | hebben aangezet | hebben aangezet | hebben aangezet |
| Voltooid verleden tijd | had aangezet | had aangezet | had aangezet | hadden aangezet | hadden aangezet | hadden aangezet |
| Toekomende tijd II | zal aangezet hebben | zult aangezet hebben | zal aangezet hebben | zullen aangezet hebben | zullen aangezet hebben | zullen aangezet hebben |
| Conditionalis II | zou hebben aangezet | zou hebben aangezet | zou hebben aangezet | zouden hebben aangezet | zouden hebben aangezet | zouden hebben aangezet |
| Imperatief | - | zet aan | - | - | zet aan | - |
aanzetten - Translation of words, word sequences and short sentences into the languages German, Spanish, French, Italian, Dutch, Portuguese, Swedish