Dutch Dutch

no translation found for aanzeggen

English English

German German

French French

Italian Italian

Spanish Spanish

Portuguese Portuguese

Swedish Swedish



Verb forms of aanzeggen

- aan
Tegenwoordig en verleden deelwoord aanzeggend und aangezegd

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens zeg aan zegt aan zegt aan zeggen aan zeggen aan zeggen aan
Imperfect zegde aan zegde aan zegde aan zegden aan zegden aan zegden aan
Toekomende tijd I zal aanzeggen zult aanzeggen zal aanzeggen zullen aanzeggen zullen aanzeggen zullen aanzeggen
Conditionalis I zou aanzeggen zou aanzeggen zou aanzeggen zouden aanzeggen zouden aanzeggen zouden aanzeggen
Perfectum heb aangezegd hebt aangezegd heeft aangezegd hebben aangezegd hebben aangezegd hebben aangezegd
Voltooid verleden tijd had aangezegd had aangezegd had aangezegd hadden aangezegd hadden aangezegd hadden aangezegd
Toekomende tijd II zal aangezegd hebben zult aangezegd hebben zal aangezegd hebben zullen aangezegd hebben zullen aangezegd hebben zullen aangezegd hebben
Conditionalis II zou hebben aangezegd zou hebben aangezegd zou hebben aangezegd zouden hebben aangezegd zouden hebben aangezegd zouden hebben aangezegd
Imperatief - zeg aan - - zegt aan -
translation - aanzeggen translate | Dutch dictionary