| Usage | - | Separable | aan |
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | aanvoelend | und | aangevoeld |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | voel aan | voelt aan | voelt aan | voelen aan | voelen aan | voelen aan |
| Imperfect | voelde aan | voelde aan | voelde aan | voelden aan | voelden aan | voelden aan |
| Toekomende tijd I | zal aanvoelen | zult aanvoelen | zal aanvoelen | zullen aanvoelen | zullen aanvoelen | zullen aanvoelen |
| Conditionalis I | zou aanvoelen | zou aanvoelen | zou aanvoelen | zouden aanvoelen | zouden aanvoelen | zouden aanvoelen |
| Perfectum | heb aangevoeld | hebt aangevoeld | heeft aangevoeld | hebben aangevoeld | hebben aangevoeld | hebben aangevoeld |
| Voltooid verleden tijd | had aangevoeld | had aangevoeld | had aangevoeld | hadden aangevoeld | hadden aangevoeld | hadden aangevoeld |
| Toekomende tijd II | zal aangevoeld hebben | zult aangevoeld hebben | zal aangevoeld hebben | zullen aangevoeld hebben | zullen aangevoeld hebben | zullen aangevoeld hebben |
| Conditionalis II | zou hebben aangevoeld | zou hebben aangevoeld | zou hebben aangevoeld | zouden hebben aangevoeld | zouden hebben aangevoeld | zouden hebben aangevoeld |
| Imperatief | - | voel aan | - | - | voelt aan | - |
aanvoelen - Translation of words, word sequences and short sentences into the languages German, Spanish, French, Italian, Dutch, Portuguese, Swedish