Dutch Dutch

no translation found for aanvijlen

English English

German German

French French

Italian Italian

Spanish Spanish

Portuguese Portuguese

Swedish Swedish



Verb forms of aanvijlen

- aan
Tegenwoordig en verleden deelwoord aanvijlend und aangevijld

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens vijl aan vijlt aan vijlt aan vijlen aan vijlen aan vijlen aan
Imperfect vijlde aan vijlde aan vijlde aan vijlden aan vijlden aan vijlden aan
Toekomende tijd I zal aanvijlen zult aanvijlen zal aanvijlen zullen aanvijlen zullen aanvijlen zullen aanvijlen
Conditionalis I zou aanvijlen zou aanvijlen zou aanvijlen zouden aanvijlen zouden aanvijlen zouden aanvijlen
Perfectum heb aangevijld hebt aangevijld heeft aangevijld hebben aangevijld hebben aangevijld hebben aangevijld
Voltooid verleden tijd had aangevijld had aangevijld had aangevijld hadden aangevijld hadden aangevijld hadden aangevijld
Toekomende tijd II zal aangevijld hebben zult aangevijld hebben zal aangevijld hebben zullen aangevijld hebben zullen aangevijld hebben zullen aangevijld hebben
Conditionalis II zou hebben aangevijld zou hebben aangevijld zou hebben aangevijld zouden hebben aangevijld zouden hebben aangevijld zouden hebben aangevijld
Imperatief - vijl aan - - vijlt aan -
translation - aanvijlen translate | Dutch dictionary