aanrijding
has 2 meanings
Dutch
German
French
Italian
- aanreiken
- aanrekenen
- aanrennen
- aanrichten
- aanrijden
aanrijding
- aanrijgen
- aanrijpen
- aanrissen
- aanristen
- aanroeien
- aanroepen
- aanroeping
- aanroeren
- aanroesten
- aanroken
- aanrollen
- aanrommelen
- aanruisen
- aanrukken
- aanschaf
- aanschaffen
- aanschakelen
- aanscharrelen
- aanschellen
- aanscherpen
- aanschieten
- aanschikken
- aanschoffelen
- aanschoppen
- aanschouwen

