aanrijden
has 2 meanings, 2 synonym groups and 4 synonyms
Dutch
English
German
French
Italian
Spanish
Portuguese
Swedish
Verb forms of aanrijden
| - | aan | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | aanrijdend | und | aangereden |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | rijd aan | rijdt aan | rijdt aan | rijden aan | rijden aan | rijden aan |
| Imperfect | reed aan | reed aan | reed aan | reden aan | reden aan | reden aan |
| Toekomende tijd I | zal aanrijden | zult aanrijden | zal aanrijden | zullen aanrijden | zullen aanrijden | zullen aanrijden |
| Conditionalis I | zou aanrijden | zou aanrijden | zou aanrijden | zouden aanrijden | zouden aanrijden | zouden aanrijden |
| Perfectum | heb aangereden | hebt aangereden | heeft aangereden | hebben aangereden | hebben aangereden | hebben aangereden |
| Voltooid verleden tijd | had aangereden | had aangereden | had aangereden | hadden aangereden | hadden aangereden | hadden aangereden |
| Toekomende tijd II | zal aangereden hebben | zult aangereden hebben | zal aangereden hebben | zullen aangereden hebben | zullen aangereden hebben | zullen aangereden hebben |
| Conditionalis II | zou hebben aangereden | zou hebben aangereden | zou hebben aangereden | zouden hebben aangereden | zouden hebben aangereden | zouden hebben aangereden |
| Imperatief | - | rijd aan | - | - | rijdt aan | - |
synonyms for aanrijden
- aanrechten
- aanreiken
- aanrekenen
- aanrennen
- aanrichten
aanrijden
- aanrijding
- aanrijgen
- aanrijpen
- aanrissen
- aanristen
- aanroeien
- aanroepen
- aanroeping
- aanroeren
- aanroesten
- aanroken
- aanrollen
- aanrommelen
- aanruisen
- aanrukken
- aanschaf
- aanschaffen
- aanschakelen
- aanscharrelen
- aanschellen
- aanscherpen
- aanschieten
- aanschikken
- aanschoffelen
- aanschoppen

