| Usage | - | Separable | aan |
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | aanrakend | und | aangeraakt |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | raak aan | raakt aan | raakt aan | raken aan | raken aan | raken aan |
| Imperfect | raakte aan | raakte aan | raakte aan | raakten aan | raakten aan | raakten aan |
| Toekomende tijd I | zal aanraken | zult aanraken | zal aanraken | zullen aanraken | zullen aanraken | zullen aanraken |
| Conditionalis I | zou aanraken | zou aanraken | zou aanraken | zouden aanraken | zouden aanraken | zouden aanraken |
| Perfectum | heb aangeraakt | hebt aangeraakt | heeft aangeraakt | hebben aangeraakt | hebben aangeraakt | hebben aangeraakt |
| Voltooid verleden tijd | had aangeraakt | had aangeraakt | had aangeraakt | hadden aangeraakt | hadden aangeraakt | hadden aangeraakt |
| Toekomende tijd II | zal aangeraakt hebben | zult aangeraakt hebben | zal aangeraakt hebben | zullen aangeraakt hebben | zullen aangeraakt hebben | zullen aangeraakt hebben |
| Conditionalis II | zou hebben aangeraakt | zou hebben aangeraakt | zou hebben aangeraakt | zouden hebben aangeraakt | zouden hebben aangeraakt | zouden hebben aangeraakt |
| Imperatief | - | raak aan | - | - | raakt aan | - |
aanraken - Translation of words, word sequences and short sentences into the languages German, Spanish, French, Italian, Dutch, Portuguese, Swedish