Dutch
Portuguese
Verb forms of aanmatigen
| - | aan | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | aanmatigend | und | aangematigd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | matig aan | matigt aan | matigt aan | matigen aan | matigen aan | matigen aan |
| Imperfect | matigde aan | matigde aan | matigde aan | matigden aan | matigden aan | matigden aan |
| Toekomende tijd I | zal aanmatigen | zult aanmatigen | zal aanmatigen | zullen aanmatigen | zullen aanmatigen | zullen aanmatigen |
| Conditionalis I | zou aanmatigen | zou aanmatigen | zou aanmatigen | zouden aanmatigen | zouden aanmatigen | zouden aanmatigen |
| Perfectum | heb aangematigd | hebt aangematigd | heeft aangematigd | hebben aangematigd | hebben aangematigd | hebben aangematigd |
| Voltooid verleden tijd | had aangematigd | had aangematigd | had aangematigd | hadden aangematigd | hadden aangematigd | hadden aangematigd |
| Toekomende tijd II | zal aangematigd hebben | zult aangematigd hebben | zal aangematigd hebben | zullen aangematigd hebben | zullen aangematigd hebben | zullen aangematigd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben aangematigd | zou hebben aangematigd | zou hebben aangematigd | zouden hebben aangematigd | zouden hebben aangematigd | zouden hebben aangematigd |
| Imperatief | - | matig aan | - | - | matigt aan | - |
- aanmaakhout
- aanmaken
- aanmanen
- aanmaning
- aanmarcheren
aanmatigen
- aanmatigend
- aanmatiging
- aanmelden
- aanmengen
- aanmeren
- aanmerkelijk
- aanmerken
- aanmerken op
- aanmerking
- aanmerkingen
- aanmerkingen maken
- aanmerkingen maken op
- aanmeten
- aanmodderen
- aanmoedigen
- aanmoedigend
- aanmoedigende woorden
- aanmoediging
- aanmonsteren
- aanmunten
- aannaaien
- aannagelen
- aanneemster
- aannemelijk
- aannemelijkheid

